4.1 Ijstijden: feiten!

iDevice-pictogram Wat, hoe, hoeveel, hoe lang, ...

KENMERKEN

Het Quartair is de jongste geologische periode. Deze wordt opgedeeld in twee tijdvakken: Het Pleistoceen en het Holoceen (waarin wij ons momenteel bevinden).

"Een ijstijd is een periode waarin de gemiddelde jaartemperatuur op aarde 5 à 10 °C lager was dan tegenwoordig en waarin grote delen van de continenten met landijs en gletsjers zijn bedekt. Sinds het begin van het Pleistoceen zijn er 6 duidelijke ijstijden of glacialen geweest, met een duur van tienduizenden tot honderduizenden jaren. De ijstijden werden afgewisseld met warmere periodes, die elk ongeveer 10 000 tot 15 000 jaar duurden. Zo'n warmere periode noemt men een tussenijstijd of interglaciaal." (uit Wereldvisie Infoboek 5.6 Algemene aardrijkskunde, Uitgeverij Pelckmans, p. 241)

De laatste ijstijd, genaamd het Weichseliaan, eindigde ongeveer 10 000 jaar geleden.

De zes glacialen zijn van jong naar oud: Weichseliaan, Saaliaan, Elsteriaan, Menapiaan, Eburoniaan en Pretigliaan. Daartussen waren kortere en warmere interglacialen aanwezig.

Vanzelfsprekend zijn er in de geschiedenis van onze aarde meer dan zes ijstijden geweest, maar aangezien dit echter zo lang geleden is, is het voor wetenschappers haast onmogelijk om hierover specifieke data in te zamelen.

 

OPBOUW

Een ijstijd of glaciaal ontstaat natuurlijk niet zomaar. Dit is een proces dat jaar na jaar wordt opgebouwd met verschillende piekmomenten. Om dit te begrijpen, bekijken we de watercyclus.

Wanneer water via neerslag (regen, sneeuw, hagel, ...) op de grond valt, blijft het op de polen in de strenge wintermaanden als sneeuw en/of ijs liggen. Wanneer het in de zomer niet warm genoeg wordt, smelt deze sneeuw niet en blijft ze gewoon liggen onder de vorm van ijs. Jaar na jaar komt er zo een laagje bovenop en breidt het landijs uit. hoe meer sneeuw, hoe groter het albedo waardoor nog meer zonlicht wordt teruggekaatst. Ijs en verse sneeuw hebben een reflectievermogen van 80-95%.

Film: De Watercyclus

 

Meer water dat wordt vastgehouden onder de vorm van ijs en sneeuw, betekent minder water dat terug naar de oceanen stroomt. Een groot deel van dat oceaanwater ligt dus gestockeerd onder de vorm van ijs. Dit brengt met zich mee dat het zeeniveau daalt. Tijdens het Saaliaan vond de grootste uitbreiding van de ijskappen en gletsjers plaats en daalde het zeepeil met wel 130m.

België is nooit bedekt geweest onder een ijskap, maar had wel een periglaciaal klimaat (toendravegetatie). De gemiddelde jaartemperatuur was er onder nul.